muzikale momenten, deel 4 – ‘Dertien jaar na dato’ (The Sound – From The Lions Mouth)

‘Dertien jaar na dato’

Het was een warme lenteavond in april. Het jaartal 2012. In mijn piepkleine computerkamer surfte ik het net over. Op zoek naar bekende muziek(concerten), maar meer nog dan dat, op zoek naar fijne nieuwe songs. Zodat mijn verzameling nog groter kon worden dan hij al was. Zodat ik aangespoord werd om op zoek te gaan naar onbekend tweedehands vinyl en nieuwe cd’s. Een hobby mag geld kosten, niet waar?

In die jaren werkte ik bij Wegener in Zwolle. Bij mij ter burele zat een collega met eenzelfde verzamelwoede. We hadden vrijwel dagelijks mooie gesprekken over nieuwe releases en oude klassiekers. Vaak zelfs ook via mail of Twitter, wanneer we niet op de redactie zaten.

Zo ook die desbetreffende avond in april 2012. Collega, annex muziekmaat JdH meldde dat hij zo eens in de zoveel tijd met zijn vriendenclub een avondje muziek luistert. Een ieder selecteerde zijn ‘Top 10 Beste Albums Aller Tijden’ en daar werd vervolgens een avondje muzikaal samenzijn aan vast geknoopt.
Het zal u niet verbazen dat ik iets dergelijks ook wel eens doe met muziekvrienden. Nerds onder elkaar. Helemaal te gek. High Fidelity-achtige prietpraat: ik hou er van. JdH stuurde mij desgevraagd dus z’n Top 10. Hij was er naar eigen zeggen ‘tot diep in de nacht’ mee bezig was geweest. Nerds onder elkaar snappen dat helemaal. Dergelijk tijdverdrijf is prachtig. En dat het dan heel laat in de nacht wordt, maakt natuurlijk niet uit. Ik hoor u denken… Mijn antwoord is ‘nee’. Dit is namelijk absoluut niet nutteloos, in het geheel niet.
Met spreekwoordelijk kwijl uit de mond begon ik zijn Top 10 te lezen. Erop veel bekend werk zoals ‘de bananenplaat’ van VU, On The Beach van Neil Young, Hatful Of Hollow van The Smiths, maar ook Where You Been van Dinosaur Jr. en Sister van Sonic Youth. Stuk voor stuk pareltjes die zo maar ook in mijn eigen lijst zouden kunnen staan.
Maar natuurlijk zocht ik ook deze avond naar de muziekverrassing. En die vond ik al gauw. In zijn lijst verhaalde JdH bevlogen over een voor mij tot dan toe volkomen onbekende Britse formatie. ‘The Sound markeert het volwassen worden van mijn muzieksmaak’, zo meldde hij enigszins gedragen in een terloopse bijzin. Mijn aandacht was gewekt.

The Sound - From The Lions Mouth

The Sound – From The Lions Mouth

Het desbetreffende album heet From The Lions Mouth, uitgekomen in 1981. Ik was toen 6, dus deze band is indertijd natuurlijk compleet aan me voorbij gegaan. Echter, ook jaren later ben die muziek nooit tegengekomen. Tot deze dag in april, de speurtocht naar mijn muziekverrassing was begonnen. Ik speurde YouTube af, vond het integrale album van deze new wave-band werd geconfronteerd met de opener Winning. Een actief en ronkende basloop werd gecombineerd met een ielige en hoog synthesizerloopje. De zinsnede ‘When you reach the end of your tether, it’s because it wasn’t strong enough…’, baart direct opzien. De compositie is onmiskenbaar goed, dat hoor je meteen. Maar wat écht opviel, was de donkere, dwingende toon van de zanger en tevens songwriter van de band, Adrian Borland. Bijna bezeten werd de tekst in het refrein voorgedragen. Het nummer heb ik die avond zeker zo’n 20 keer gedraaid.

De plaat heb ik de dag daarna nog tweedehands aangeschaft bij Minstrel Music in Zwolle. Toch bleef vooral Borland mij intrigeren. Terwijl ik mijn nieuwe schijf van zwarte goud op de draaitafel legde en genoot van alle sinistere songs op het album, kwam ik er via het net achter dat de manisch depressieve frontman van The Sound zelfmoord pleegde door in Londen voor de trein te springen. Zulke mooie muziek verzinnen en toch zo met jezelf in de knoop zitten. Tja…
En ondanks die muziek, bleek z’n eigen levenstouw dus níet sterk genoeg. Op 26 april 1999 knipte hij het eigenhandig door. Ik keek rechtsonder in mijn computerscherm en schrok. Het wás 26 april. Exact dertien jaar na Borlands trieste einde, was From The Lions Mouth mijn muziekontdekking van het jaar 2012 geworden.

Toen ik onlangs een ‘Top 10 Beste Albums Aller Tijden’-avondje met muziekvrienden hield, lag het album van The Sound op mijn stapel…

Advertenties

muzikale momenten, deel 3 – ‘Vader en Zoon’ (Eagles – New Kid in Town)

‘Vader en Zoon’

Op het moment dat de zoon leuk gaat vinden wat zijn vader al jaren waardeert, dan wordt hij een echte man. Die conclusie trok ik, toen ik onlangs het nummer New Kid in Town van de Eagles voorbij hoorde komen.

Eagles - Hotel California

Eagles – Hotel California

De song, afkomstig van het album Hotel California uit 1976 is het favoriete nummer van mijn vader. Mijn pa, nog immer groot Eagles-fan (naast de band overigens ook van de voetbalclub: what’s in the name!) draaide de desbetreffende lp vroeger erg vaak. Hij vertelde te pas en te onpas aan Jan en alleman dat New Kid in Town zijn favoriete nummer was.
Op een gegeven moment, kon het niet anders dan dat ik dat aalgladde (geen kritiek hoor, meer een feitelijke constatering) nummer ook ging waarderen. Al week onze smaak tegelijkertijd ook wel een beetje af. Wat mij betreft waren Life in the Fast Lane (een rauw nummer van nieuweling Joe Walsh) en The Last Resort (een epische song van Don Henley waaraan Glenn Frey uiteindelijk ook zijn compositorische bijdrage leverde) juist absolute hoogtepunten van de plaat. Laat me tegelijkertijd eerlijk zijn; in feite ging ik alle nummers van deze lp geweldig vinden. Zelfs dat enigszins grijsgedraaide titelnummer. Daarbij komt: het resultaat van dit best verkochte studioalbum van de Eagles is helemaal geweldig, wanneer je weet hoeveel bergen drugs Don Henley, Glenn Frey, Don Felder, Randy Meisner en Joe Walsh er op dat moment door heen snoven en rookten. De makers zelf waren klaarblijkelijk minder aalglad dan hun composities. Maar goed, ik dwaal af.

Onze 6-jarige zoon, gedraagt zich tegenwoordig een beetje hetzelfde, als ik indertijd. En ik gedraag me hetzelfde als mijn vader toen deed. Zo ben ik bijvoorbeeld nog altijd razend enthousiast over mijn roomwitte Kever uit 1983. Dat mogen Jan en alleman te pas en te onpas weten. Ook al is deze auto momenteel geschorst. Ook al vindt vrouwlief het momenteel een sta-in-de-weg. Ook al attendeert zoon Job me steeds vaker op die steeds groter wordende roestplekken aan de voorkant. Toch zie ik aan de andere kant dat zoonlief niet anders kan, dan deze krakkemikkige auto waarderen. Hij zit er graag in, hij zit er graag aan. Net zoals zijn vader.
Dat geldt tevens voor het draaien van lp’s. Nu al een grote hobby van Job. Als ik met hem thuis ben, mag hij ze vaak uitkiezen. Een mooi ritueel: ik loop met hem mee, til Job waar nodig op en geef hem daardoor steeds een willekeurige kijk op de platenkast. Job selecteert dan ‘geheel toevallig’. Feitelijk enkel naar aanleiding van de kleuren van de ruggen van de hoezen.
Soms komen daar ronduit verrassende opties uit. Leidde hij mij onlangs al naar de fantastische live-plaat van Ike en Tina (Olympia, Parijs, 1971), recentelijk kwamen er parels van de Tröckener Kecks, Sam & Dave, AC/DC, Camel, U2, Gary Numan (nee, ik schaam me hier niet voor) Stevie Wonder, The Smiths, Blondie, Wings, Pink Floyd (ik geef toe, hier stuurde ik zijn handje), Duran Duran, Roxy Music, Talking Heads, The Outsiders, (een symfonie van) Smetana, The Sound, Doe Maar en Van Halen voorbij. Wanneer de naald in de groef gezet wordt, blijkt uit de twinkeling in z’n ogen daadwerkelijk dat hij leuk vindt, wat zijn vader al jaren waardeert. Maar toen Job pas geleden, on top of it all, Hotel California van de Eagles uit de platenkast griste, werd onze eigen New Kid In Town in één klap een echte man. Met dank aan mijn eigen vader.

muzikale momenten, deel 2 – ‘bandgevoel’ (Nirvana – In Utero)

‘Bandgevoel’

557828_527939157276131_1869397313_n

Het is begin 1991. David en ik zitten middagen achtereen samen gitaar te spelen. Bij mij thuis, of zijn slaapkamer. Hij een akoestische gitaar die hij voor z’n verjaardag kreeg. Ik een kromgetrokken, en dus zeer moeilijk te bespelen, jazzgitaar met stalen snaren die minstens 40 jaar oud is.
Het klinkt allemaal nergens naar, maar op cassettebandjes maken we volledige albums met eigen nummers. We schrijven en ‘componeren’ samen. Hij verzorgt het (fantastische!) artwork en samen genieten we van het eindresultaat. Hoe slecht ook…
We treden meerdere malen op voor onze ouders en onze zussen. Zij vinden het vreselijk, maar wij hebben het klaarblijkelijk nodig voor onze muzikale ontwikkeling. Toch ontbreekt er iets: het bandgevoel.
We luisteren veel (symfonische) muziek uit de jaren zeventig. Maar dat échte bandgevoel is pas echt aangeboord door de ware stage personalities van die tijd. Waanzinnige acts zoals de Pixies, Pearl Jam, Sonic Youth, de Red Hot Chili Peppers. En Nirvana. En wanneer Nevermind in september 1991 uitkomt, is het hek van de dam.
We horen een paar maandjes daarna ’t prachtige Paradiso-concert live op de radio. De tape daarvan draaien we grijs. De show van 25 november 1991 blijkt een ijkpunt. Dat ongebreidelde enthousiasme, die enorme waanzin, die tomeloze energie, dat onbesuisde gaan tot het gaatje: we willen dat ook.
We zoeken een bassist en een drummer en beginnen te rammen in een oefenhok. Niet goed; maar wel met passie. Bewust veel eigen nummers (we zijn naïef en er van overtuigd dat we doorbreken). Toch spelen we een sporadische cover. Ook één van ons heldentrio uit Seattle. Niet van Nevermind, niet van Bleach, maar lekker eigenwijs van de B-kantjesverzamelaar Incesticide. Om precies te zijn; het chaotische slotstuk Aneurysm. Week na week geven we ons helemaal in die superhete gemeenschapsruimte van de dorpsschool. Via bladen als OOR blijven we op de hoogte van al het muzieknieuws. We lezen onder andere dat zanger Kurt iets fatalistischer met muziek en zichzelf omging dan wij.
Het, in slechts 14 dagen opgenomen, album In Utero zet onze band volledig op de kop. We vinden ‘Vs’ van concurrenten Pearl Jam leuk, maar vallen veel meer voor het rauwe geluid dat Steve Albini aan Nirvana heeft gegeven. We zetten Rape Me op onze setlist, we proberen Serve the Servants eveneens, maar komen er achter dat dit laatste nummer niet fatsoenlijk na te reproduceren is. We zijn oprecht onder de indruk van de klasse van deze band. En we willen ze live zien. Tot twee keer toe halen we tickets voor concerten, tot twee keer toe wordt het afgelast. We zien ze af en toe live op tv, maar blijven hopen op een Nederlandse gig.
Tot dinsdagochtend 5 april 1994. Ik werd wakker, checkte MTV en besefte dat dit een dag zou worden die ik nooit meer zou vergeten. We zijn per direct gestopt met Nirvanacovers. Uit respect voor Dave, Krist en Kurt…

Inmiddels zijn we twee decennia verder. Nevermind is nog immer te gek. In Utero staat exact twintig jaar na de release nog altijd fier overeind en ook naar Bleach en Incesticide luister ik graag. Ons eigen muziekgroepje zoekt daarnaast nog regelmatig dat superfijne bandgevoel op in ’t oefenhok. Misschien moet ik binnenkort toch maar eens een coversuggestie doen. Aneurysm, hoe gingen die akkoorden ook al weer?

muzikale momenten – deel 1 ‘gouden pruik’ (over mark oliver everett)

‘gouden pruik’

capless-bob-stijl-100-japanse-kanekalon-vezels-gouden-steil-haar-pruik_nwrfaf1319097095133

‘Going to your funeral now and feeling I could scream’. De hoge, kwetsbare stem van Mark Oliver Everett vult haar meisjeskamer. Bij Wies komt iedere lettergreep van elk woord keihard binnen. Tranen biggelen over wangen. Ze speurt naar d’r slaapknuffel. Kan die schmutzige tijger in verregaande staat van ontbinding niet vinden en trapt onbesuisd tegen ‘t vierdehandse basisschoolbureautje. Bam!!!
Natuurlijk heeft de zelfmoord van Marks zuster niets te maken met de kanker van haar moeder. Toch spreekt de woordentrein van de Amerikaanse zanger haar rechtstreeks en zonder vertraging of tussenstops aan. Z’n schurende, rasperige vocalen klinken zoals de lederen zolen van haar lichtbruine cowboylaarzen er uit zien. Maar zijn teksten worden haar stenen tafelen. Dit willekeurige pubermeisje uit een minstens zo willekeurig dorp zocht maandenlang een huilschouder en vindt troost bij een onbekende man uit Virginia.

Het is 1998: een jaar met enkel gitzwarte bladzijden in haar levensboek. Na een slopend ziekbed was het uiteindelijk ‘voor iedereen het beste’ dat ze met de medicatie stopten. Voor iedereen? Jaja… Geen enkele dochter wil haar moeder verliezen. Helemaal niet als zij slechts 41 werd en jij nog geen 17 was.
Okay, die verdoemde chemo zorgde voor ongekende karaktertrekken zodat ze stiekem wel eens bad om een spoedige dood. Wies‘ mama werd ’s nachts menigmaal schreeuwend wakker. Verward als een razendsnel opgerolde, roekeloze kluwen wol. Dan vertelde ze dat er mensen aan haar trokken. Met strotouwen. Zodat ze naar eigen zeggen niet meer kon lopen en niks zelf mocht bepalen. Moeder was uiteindelijk een clowneske trekpop geworden van haar eigen demonen. Zonder make-up en rode neus. Maar wel met een goudkleurige pruik.

Tegenwoordig slaapt Wies door vrachtwagenladingen Prozacpillen ietwat beter. Toch blijven afschuwelijke herinneringen als een fanatieke legereenheid overeind staan. En die mooie moederskenmerken glijden als flinterdunne confetti tussen vingers door in een verzwelgende dodelijke modderpoel. Haar geur, haar stem, haar lach, haar blik? Alles vervaagt.
Marks zang lijkt vrolijker van toon. Ze denkt aan fijne zomervakanties in Zuid-Duitsland. De zanger leidt Wies naar een Bodenmeer vol troostrijke gedachtes. Al doen zijn zwartgallige teksten anders vermoeden. Cancer for the cure. Buckle-up and endure now baby’.
Natuurlijk heeft de fatale longkanker van Marks moeder niets te maken met de hersentumor van haar eigen mama. Maar ’endure’? Yeah right! In de All Stars-schoenendoos met persoonlijke prullaria ligt een briefopener uit Freiburg. Ze kerft ermee in het bovenblad van haar bureautje: ‘It’s a motherfucker; being here without you’.

Die zin is het startschot van een brief. Woorden dalen neer op het roze parfumpapier. In steenkolenengels bedankt ze Mark. Voor nummers die ramhard binnenkomen, waterlanders veroorzaken maar uiteindelijk tóch troostrijk blijken. Het maakt hem tot een rotsvaste pilaar in de drijfzanddagen van haar leven, vertrouwt ze het papier toe. Ze besluit met de zin die bibberig en onvast in haar bureau staat gekrast.

Wies vindt een fanclubadres in het cd-boekje, plakt postzegels en spurt richting slagaderrode postbus in het dorpscentrum. Het doorgeefluik van haar muzikale toekomst. Mét Mark Oliver Everett, inderdaad. Tot de dood er op volgt…